Nieuws  Agenda  Organisatie  Vieringen  Rosarium Mariae  Foto's  Links  Historie  Titus Breed  Activiteiten

RK parochie Renkum


Gravure uit 1630

Een schuurkerk

Op 28 december 1726 stierf de laatste katholieke eigenaar van Grunsfoort, Anthonie van Lijnden. Zijn financiële positie was niet rooskleurig. Zijn goederen waren zeer bezwaard met als gevolg dat zijn schuldeisers beslag legden op zijn nalatenschap. Het kasteel kwam toen in handen van de niet-katholieke familie Goltstein. De pastoor - de Emmeriker Phiippus Tuchscheer, vanaf 1680 alhier werkzaam. kon zijn biezen pakken. Waar vestigde hij zich? Waarschijnlijk vond hij onderdak bij één van zijn  gemeenteleden. Mogelijk werd er ook kerk gehouden. Zijn opvolger woonde in ieder geval sinds 1730 in Wageningen.
Nu veïmeldt het Parochie Memoriaal van Wageningen, aangelegd in 1856, het volgende: "En later (dus na de periode Grunsfoort) bouwden zij, dank zij de vrome zorgen van de familie Staring, zoals men vertelt, achter hun herberg, genaamd "De Vergulde Bok", een klein kerkje ...”.
Wanneer? Een lijst uit 1811 (Archief Franse tijd) noemt als stichtingsjaar 1729. Mijns inziens heeft dit betrekking op het jaar van ontstaan van de statie Wageningen-Renkum

Een kaart een gedelte van Renkum, omstreeks 1616. Achter de brouwerij-herberg 'De Bock' lag in het midden van de 18e eeuw geboude schuurkerk (zie pijl).

Bouw nieuw kerkje.

Met ingang van 2 juni 1837 werd tot pastoor van de statie Wageningen-Renkum benoemd de oud-president en oud-professor van het groot-seminarie 's Heerenberg, Joannes Antonius Taabe. De benoemingsbrief is nog aanwezig in het parochiearchief van Wageningen. In Renkum vond Taabe een bouwvallig kerkje aan de rand van de uiterwaarden. Wanneer de Rijn buiten de oevers trad, stond het water in het gebouwtje, zodat de banken op drift kwamen. De toestand was onhoudbaar. Meteen zette hij zich in om Renkum een nieuw kerkje te geven, veilig voor de overstromingen. Hij werd daarbij geholpen door zijn vier kerkmeesters w.o. Willem Offenberg en Johannes van de Wateren.
Taabe schreef naar koning Willem 1 om een subsidie. Er werd f6.000,— toegezegd op voorwaarde, dat het kerkje watervrij zou komen te staan. Bij het zoeken naar een geschikte plaats was de keuze gevallen op een terrein aan de noordzijde van de Dorpsstraat, en wel een gedeelte van het zgn. Kosterieland, eigenaresse de Hervormde Kerk. Voor f 200,— ging de grond over naar de r.k. gemeente onder de motivering: "Liever de Roomsen met de kerk daar, dan elders, waar wij het misschien minder prettig zouden vinden". Het terrein was 16 roeden en 12 ellen groot en stond in het kadaster beschreven onder sectie D no. 168.
De ontwerper van het gebouwtje is, volgens een aantekening van pastoor Taabe, meester-timmerman Willem Offenberg geweest. "Fabrico magistro Gulielmo Offenberg" staat er in zijn beste pastoorslatijn. Deze meester-timmerman kan niemand anders geweest zijn dan Wilhelmus Jacobus Offenberg, geboren 26 maart 1813 te Renkum als zoon van onze kerkmeester. Hij stierf in Amsterdam op 4 mei 1875, waar hij gewoond en gewerkt had. Hij was aanvankelijk timmerman en makelaar, later architect. Van zijn hand zijn enkele bouwtekeningen van het Museum Fodor te Amsterdam bewaard gebleven. Offenberg ontwierp een kerkje in de zogenaamde Waterstaatsstijl. De verleende rijkssubsidie, toegekend door het Ministerie van Eredienst, bracht staatsbemoeiing mee. De verdere afwikkeling van de uitvoering van de bouw enz. werd overgedragen aan het Ministerie van Waterstaat. Dit ontwierp kerken of gaf aanwijzingen.
Op de feestdag van de Aartsengel Michaël, 29 september 1839, werd het gloednieuwe kerkgebouw door Aartspriester van Gelderland, M. Terwindt, ingewijd. Het kerkje werd toegewijd aan Maria, onder de titel: Maria ten Hemelopneming. Het verslag van de ingebruikname verscheen in het tijdschrift "De Godsdienstvriend" van 1840, hetgeen voor verschillende schrijvers aanleiding is geweest te veronderstellen dat het kerkje uit 1840 dateerde. Na afloop van de plechtigheid werd in het logement "De Vergulde Bok" van kerkmeester Offenberg een "vrolijk" maal aangericht, waar de geestelijke en burgerlijke autoriteiten aangezeten waren. Ongetwijfeld zullen de katholieke Renkummers vol vreugde geluisterd hebben naar het geklep van het 120 kg wegende klokje, opgehangen in de smalle toren met het koepeldak. De tekst op deze klok luidde: J.A. Taabe, pastoor. F. Fornier, sacellanus (kapelaan). Patrinus (peter) Willem Offenberg. Matrina (meter) R. Staring. 1839. Petit et Fritsen me funderunt (hebben mij gegoten).
Zonder twijfel zijn de op de klok vermelde personen de schenkers geweest. In 1923 werd deze herinnering aan het buiten gebruik gestelde kerkje in de dakruiter van de nieuwe kerk opgehangen.


RK kerk 31 maart 1875


Kerkmeester Willem Offenberg speelde een niet onbelangrijke rol in de historie van katholiek Renkum in de 19de eeuw. Als woordvoerder van de bij-statie regelde hij op zijn manier de kerkelijke zaken met Wageningen. Zijn naam werd tot eeuwige memorie gegrift op de klokkewand. Zijn zoon ontwierp het kerkje. Tenslotte wist hij gedaan te krijgen, dat in de kerk een bank"in het voortdurend bezit van de familie Offenberg wordt gewaarborgt, zoolang als er een lid van genoemde familie in Renkum domicileert". Natuurlijk onder de verplichting die bank te De in 1839 gebouwde kerk met op de voorgrond enige jeugdige parochianen onderhouden en jaarlijks 8 gulden te betalen. Zelfs bij een vergroting van de kerk bleef dit recht bestaan. Deze bepalingen werden vastgelegd in een akte, gedateerd 29 april 1842. Bij de plannen voor de vergroting van de kerk in 1881 kwam "de bank van de familie Offenberg" in het kerkbestuur ter sprake. De kwestie werd voor verdere regeling voorgelegd aan de Aartsbisschop. Het resultaat heb ik niet kunnen vinden. In 1844 werd op een terrein aan de westzijde van de kerk een eigen kerkhof aangelegd. Enige jaren geleden zijn de laatste resten geruimd ten behoeve van de bouw van enkele bungalows.
Ter bevordering van het geestelijk leven der gelovigen werd op 11 mei 1842 zowel in Wageningen als in Renkum een Broederschap tegen vloeken en slechte taal opgericht. Er bestond reeds een Broederschap van de H. Geest (juli 1835) ten behoeve van het Missiewerk. Het kerkje werd voorzien van een orgel tot stichting van de gelovigen en tot nut van de koorzangers. Op 28 januari 1851 werd er een kruisweg opgericht.

Tot aan zijn dood op 2januari 1875 herderde pastoor Taabe over zijn gelovigen in Renkum en Doorwerth. Dat waren er in 1846 396, Wageningen had 829 katholieken en Bennekom 26. Totaal 1251 katholieken. Vijf jaar later 1851 - had Renkum ongeveer 400 katholieken. Het was een arbeidersdorp. De meeste ingezetenen leefden in deze jaren van de landbouw en nâ 1870 van de steenfabricatie. Slechts enkelen vonden een boterham in de bierbrouwerij of op de papiermolens langs de Renkumse beken. Bewoning was er voornamelijk langs de Dorpsstraat. De vestiging van de familie Campman in 1854 betekende voor de bij-statie Renkum mèèr dan alleen vermeerdering van het aantal zielen.
Ook in Renkum wist Pastoor Taabe zich bemind te maken. Toch was er iemand, die voortdurend met de pastoor overhoop lag. Op een dag liep de ruzie zo hoog op, dat de persoon de pastoor wilde slaan. Deze moet iets tegen hem gezegd hebben, waardoor de ruziezoeker stokstijf bleef staan. Volgens een mondelinge overlevering moet dat onder aan de Renkumse Hucht gebeurd zijn.
Tijdens zijn pastoraat vonden twee belangrijke feiten plaats; het herstel van de bisschoppelijke hierarchie (1853) en als gevolg hiervan de oprichting van de parochie Wageningen in 1855, waardoor Renkum bijkerk werd.
Op 2 januari 1875 stierf pastoor Taabe. Omdat één pastoor de steeds groeiende gemeente niet meer kon overzien, werden er stappen ondernomen om Renkum van Wageningen af te scheiden en tot zelfstandige parochie te verheffen. Hetgeen geschiedde op 31 maart 1875.

 


Nu men een eigen pastoor had, moest er ook een pastorie komen. Hiertoe werd aan de zuidzijde van de Dorpsstraat, schuin tegenover de kerk en westelijk van Campman in 1875 een pastorie gebouwd. Deze woning werd in 1944 verwoest, doch deed al sinds 1885 geen dienst meer. Na die tijd was de villa "Meta", naast de kerk, pastorie.
Reeds in 1876 begon men plannen te maken de kerk te vergroten. Hiervoor zocht men een jaar later contact met Architect Alfred Tepe uit Utrecht. December 1880 kwam eerst de goedkeuring van het bisdom de kerk te mogen vergroten volgens de plannen van Tepe. De parochianen werden uitgenodigd 6 jaar lang wekelijks een bepaald bedrag te storten. Men kon hiervoor intekenen op lijsten. Ook kon men 6 jaar tweemaal per jaar vrijwillige giften geven.
De aanbesteding voor de bouw van het priesterkoor (vergroting van de kerk) en een sacristie vond plaats op 20 april 1881 in hotel Campman. Er werd te hoog ingeschreven, zodat er geen gunning plaats vond. Een tweede aanbesteding vond plaats op 9 juni. De bouw werd nu gegund aan Th. Bosch "in compagnie" met Petrus Runderkamp, beiden uit Renkum, voor f 8420,—. Het priesterkoor werd gebouwd in neo-gotische stijl. De kerk kreeg nu 243 zitplaatsen, zodat voorlopig aan plaatsruimte geen gebrek was.Twee jaar later werd het interieur van het kerkje beschilderd, zodat de witte muren tot het verleden gingen behoren. Een nieuwe tegelvloer werd in 1885 in de kerk gelegd door toedoen van wijlen de heer Hubertus Offenberg, bierbrouwer te Doesburg en zoon van de befaamde kerkmeester. Een dienstbode schonk van haar zuur verdiende spaarcentjes de kerk een zilveren blad met twee ampullen. Vooral bij het zilveren priesterfeest van de pastoor in 1888 regende het geschenken. Kruiswegstaties van de heer Van Wijck, een Godslamp, een missaal enz. Dat priesterfeest was een groots gebeuren. Niet minder dan de burgemeester voerde er het woord en niet te vergeten, dr. Thomas. V66r de pastorie stond een erepoort, verlicht met vetpotjes. Er was een schitterend vuurwerk met als slotnummer: "Hulue aan onze pastoor". De stoomboot "Batauwer" loste een aantal saluutschoten. Katholiek en niet-katholiek namen aan het feest deel.
Toch was de parochie toen nog een zoveelste rang gemeente, waar de bisschop niet kwam vormen. Daarvoor trokken de kinderen onder leiding van de pastoor naar Wageningen, hetgeen voor de Wageningers "een aandoenlijk gezicht" was.

"Een treurig gebouw".

Het aantal parochianen bleef groeien, zodat Renkum in 1897 een hulp voor haar pastoor kreeg in de persoon van kapelaan T. Th. Andriessen.
De Renkummers bleven echter verlangend uitzien naar een groter en modern kerkgebouw. Twee goed gesitueerde parochianen wilden wel gratis stenen leveren. Dat er een grote kerk moest komen, herinneren zich nog de heel ouden onder ons. Wanneer men op zondagmorgen met de tram naar Arnhem ging, zag men in het voorbijgaan door de Dorpsstraat de gelovigen tot bij het hek staan "mishoren met goede manieren". Gewoon, omdat de kerk te klein was.
Pastoor Van Leer schreef in 1915 in het parochie-memoriaal het volgende over zijn parochiekerkje: "Volgens sommigen zoo artistieke (? ) kerkje met f 1500,— schuld aan het R.K. Armbestuur. Wel prijkten na de herstelling boven de ingang de woorden "Deo Sacrum", was er een torenraam in Romaansche stijl, lagen er twee kanonskogels ter zijde om het artistieke te verhoogen, doch het geheel bleef een treurig gebouw voor den Koning der Koningen".

Verplaatsing van het parochiecentrum,

Een eerste stap in de goede richting wordt in 1900 gezet bij gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de parochie. Het kerkbestuur krijgt dan een grote som geld aangeboden voor de bouw van een nieuwe kerk. Ongetwijfeld heeft pastoor Van Leeuwenberg met vreugde die royale gift in ontvangst genomen, doch in hetzelfde jaar stierf hij. Zijn opvolgers, pastoor Laarhoven en pastoor Van Leer is het ook niet gelukt de bouwplannen te verwezenlijken.
Gedurende de laatste levensjaren van pastoor Van Leeuwenberg waren er onder de parochianen lijsten rondgedeeld, waarop men zich kon inschrijven voor een jaarlijkse bijdrage aan het bouwfonds van de nieuwe kerk (voor 6 jaar). Pastoor Laarhoven staakte deze actie, die al snel niet zo goed meer liep. Het ingezamelde geld ging op aan de noodzakelijke reparaties van het oude kerkje.
In 1910 richt Laarhoven de zgn. Penningvereniging op. Deze vereniging bestond uit 14 meisjes. In ongeveer vier jaar tijd wisten deze meisjes, die alle zondagen met gesloten busjes door het dorp gingen, een bedrag van maar liefst 6000 gulden te verzamelen. Wanneer Laarhoven in 1916 wordt overgeplaatst naar Wijk bij Duur- stede zijn er echter nog steeds geen concrete plannen voor een nieuw en groter kerkgebouw. Het kerkje was inmiddels veel te klein geworden, omdat het aantal parochianen sedert 1875 bijna verdubbeld was (ca. 1200).
De ook in zakelijk opzicht uiterst bekwame pastoor Wolters gaat dan ook onmiddellijk na zijn komst hard aan het werk. Zijn voortvarendheid blijkt wel uit het feit dat al op 27 februari 1917 door het kerkbestuur van de Wed. Ploem.Oorthuis het in 1861 gebouwde herenhuis Lemgo met de daarbij behorende terreinen wordt aangekocht voor 17.653 gulden. In de zomer van hetzelfde jaar volgt de aankoop van het huis en de tuin van de smid H. Janssen, ten westen van Lemgo aan de Utrechtseweg gelegen (nu pastorie en tuin). Door deze aankoop werd een stuk grond verworven, dat aan de Utrechtseweg een frontbreedte had van 70 meter, en dat zich in noordelijke richting uitstrekte tot aan de Groeneweg.
In 1920 koopt de kerk dan nog de villa Ewilca met de grond, zodat het kerkbestuur voor de bouw van een kerk, scholen en klooster en de aanleg van een kerkhof twee zeer dicht bij elkaar gelegen bouwterreinen van totaal ruim 5 1/2 hectare ter beschikking heeft.
Met een lening van 70.000 gulden, een ruime gift van Mgr. Van de Wetering en de wekelijkse bijdragen, die dankzij de onvermoeibare ijver van vele zelatrices per jaar 4000 gulden opbrengen, gelukt het pastoor Wolters een gezonde financiële basis te leggen voor de bouw van de nieuwe kerk.
In 1919 is het eindelijk zo ver, dat het benodigde geld aanwezig is. De architect Jos. Cuypers heeft reeds een plan klaar voor een kerk, bestaande uit een schip met houten gewelven, van ca. 550 zitplaatsen. De aanbesteding wordt al voorbereid. Dan schrijft pastoor Wolters in het Memoriale: 'Zoo naderde het najaar van 1920. Plotseling deed zich over de geheele wereld een enorme prijsdaling gelden, gepaard gaande met groote werkloosheid, zoodat wij onmiddellijk besloten af te wachten wat dit alles zoude uitwerken'.
Ten gevolge van de economische regressie worden de plannen pas weer in het voorjaar van 1922 voor de dag gehaald. Pastoor Wolters: 'Dankzij de groote prijsdalingen en onze afwachtende houding, alsmede het in dien tijd overgespaarde geld, konden wij onze plannen aanmerkelijk verbeteren'. En inderdaad, het schip kan worden uitgebreid met een priesterkoor en twee beuken, terwijl de houten gewelven in steen kunnen worden uitgevoerd.
Op 22 augustus 1922 vindt dan ook de aanbesteding plaats, en wordt de bouw gegund aan de laagste inschrijver, G. Nollen uit Den Haag (f97.650 met leien dakbedekking). Maandag 11 september wordt de eerste spade in de grond gestoken. Ruim twee maanden later, op 23 november, vindt de eerste steenlegging plaats. Aangezien tijdens de winter de bouw niet stagneert kan precies één jaar na het begin van de werkzaamheden, op 11 september 1923, de nieuwe kerk door de aartsbisschop van Utrecht, Mgr. Van de Wetering, worden geconsacreerd. Eindelijk heeft Renkum zijn nieuwe kerk. Zondagavond, 6 oktober, neemt de parochie definitief afscheid van het oude kerkje. In een plechtige processie brengt men het H. Sacrament over naar de feestelijk verlichte nieuwe kerk. De oude kerk wordt in het najaar gesloopt.
Ook verkoopt het kerkbestuur de oude pastorie en begint men dit jaar aan de bouw van de nieuwe pastoorswoning.
De verplaatsing van het parochiecentrum is dan definitief een feit.


Kerk in 1935

Verdere uitbouw.

De zakenman-pastoor Wolters heeft het nieuwe parochiecentrum op een voor die tijd grootse wijze uitgebouwd. Het processiepark (1925) met de kapel (1938), de aankleding van kerk en pastorie, het kerkhof aan de Groeneweg (1923), het is allemaal zijn werk geweest. Op 12 oktober 1946 sterft deze, in vele opzichten 'legendarische' Renkumse pastoor een plotselinge dood

 


De beschadigde kerk in 1944